Woordenlijst
Engels (US) – Werkwoorden oefenen
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
eten
De kippen eten de granen.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.