Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
vrezen
We vrezen dat de persoon ernstig gewond is.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
gebeuren
Hier is een ongeluk gebeurd.
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
bevallen
Ze zal binnenkort bevallen.
onderstrepen
Hij onderstreepte zijn uitspraak.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
bereiden
Ze bereidde hem groot plezier.