Woordenlijst
Engels (US) – Werkwoorden oefenen
springen
Hij sprong in het water.
instellen
Je moet de klok instellen.
vertellen
Ze vertelt haar een geheim.
bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
eens zijn
De buren konden het niet eens worden over de kleur.
uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.
nodig hebben
Ik heb dorst, ik heb water nodig!
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
moeten
Hij moet hier uitstappen.