Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
klinken
Haar stem klinkt fantastisch.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
gebruiken
We gebruiken gasmaskers in het vuur.
vooruitgang boeken
Slakken boeken alleen langzame vooruitgang.