Woordenlijst
Grieks – Werkwoorden oefenen
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
trainen
De hond wordt door haar getraind.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
betalen
Ze betaalde met een creditcard.