Woordenlijst
Japans – Werkwoorden oefenen
schilderen
Hij schildert de muur wit.
updaten
Tegenwoordig moet je je kennis voortdurend updaten.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
bewandelen
Dit pad mag niet bewandeld worden.
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
vertellen
Ze vertelde me een geheim.