Woordenlijst
Engels (US) – Werkwoorden oefenen
wonen
Ze wonen in een gedeeld appartement.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
bevatten
Vis, kaas en melk bevatten veel eiwitten.
verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
openen
Het kind opent zijn cadeau.
missen
Hij miste de kans op een doelpunt.
bewandelen
Dit pad mag niet bewandeld worden.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
trouwen
Het stel is net getrouwd.