Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/121870340.webp
correr
El atleta corre.
rennen
De atleet rent.
cms/verbs-webp/115267617.webp
atrever
Se atrevieron a saltar del avión.
durven
Ze durfden uit het vliegtuig te springen.
cms/verbs-webp/132125626.webp
persuadir
A menudo tiene que persuadir a su hija para que coma.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
cms/verbs-webp/47225563.webp
pensar junto
Tienes que pensar junto en los juegos de cartas.
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
cms/verbs-webp/121928809.webp
fortalecer
La gimnasia fortalece los músculos.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
cms/verbs-webp/119952533.webp
saber
¡Esto sabe realmente bien!
smaken
Dit smaakt echt goed!
cms/verbs-webp/59121211.webp
sonar
¿Quién sonó el timbre?
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
cms/verbs-webp/90643537.webp
cantar
Los niños cantan una canción.
zingen
De kinderen zingen een lied.
cms/verbs-webp/35071619.webp
pasar
Los dos se pasan uno al otro.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
cms/verbs-webp/121820740.webp
empezar
Los excursionistas empezaron temprano en la mañana.
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.
cms/verbs-webp/85010406.webp
saltar
El atleta debe saltar el obstáculo.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
cms/verbs-webp/99769691.webp
pasar
El tren nos está pasando.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.