Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans
cubrir
Ha cubierto el pan con queso.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
arder
Hay un fuego ardiendo en la chimenea.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
liderar
Le gusta liderar un equipo.
leiden
Hij leidt graag een team.
acercarse
Los caracoles se están acercando entre sí.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
sentar
Muchas personas están sentadas en la sala.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
liderar
El senderista más experimentado siempre lidera.
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
presentar
Él está presentando a su nueva novia a sus padres.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
confirmar
Pudo confirmarle las buenas noticias a su marido.
bevestigen
Ze kon het goede nieuws aan haar man bevestigen.
juntarse
Es bonito cuando dos personas se juntan.
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
salvar
Los médicos pudieron salvar su vida.
redden
De dokters konden zijn leven redden.
deber
Él debe bajarse aquí.
moeten
Hij moet hier uitstappen.