Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/110646130.webp
cubrir
Ha cubierto el pan con queso.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
cms/verbs-webp/93221279.webp
arder
Hay un fuego ardiendo en la chimenea.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
cms/verbs-webp/120254624.webp
liderar
Le gusta liderar un equipo.
leiden
Hij leidt graag een team.
cms/verbs-webp/9435922.webp
acercarse
Los caracoles se están acercando entre sí.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
cms/verbs-webp/103910355.webp
sentar
Muchas personas están sentadas en la sala.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
cms/verbs-webp/75487437.webp
liderar
El senderista más experimentado siempre lidera.
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
cms/verbs-webp/79322446.webp
presentar
Él está presentando a su nueva novia a sus padres.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
cms/verbs-webp/105224098.webp
confirmar
Pudo confirmarle las buenas noticias a su marido.
bevestigen
Ze kon het goede nieuws aan haar man bevestigen.
cms/verbs-webp/34979195.webp
juntarse
Es bonito cuando dos personas se juntan.
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
cms/verbs-webp/123953850.webp
salvar
Los médicos pudieron salvar su vida.
redden
De dokters konden zijn leven redden.
cms/verbs-webp/108218979.webp
deber
Él debe bajarse aquí.
moeten
Hij moet hier uitstappen.
cms/verbs-webp/81986237.webp
mezclar
Ella mezcla un jugo de frutas.
mengen
Ze mengt een vruchtensap.