Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/123546660.webp
revisar
El mecánico revisa las funciones del coche.
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
cms/verbs-webp/73880931.webp
limpiar
El trabajador está limpiando la ventana.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
cms/verbs-webp/124053323.webp
enviar
Está enviando una carta.
sturen
Hij stuurt een brief.
cms/verbs-webp/79317407.webp
ordenar
Él ordena a su perro.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
cms/verbs-webp/92456427.webp
comprar
Quieren comprar una casa.
kopen
Ze willen een huis kopen.
cms/verbs-webp/102169451.webp
manejar
Uno tiene que manejar los problemas.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
cms/verbs-webp/107407348.webp
viajar
He viajado mucho alrededor del mundo.
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
cms/verbs-webp/100466065.webp
omitir
Puedes omitir el azúcar en el té.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
cms/verbs-webp/120220195.webp
vender
Los comerciantes están vendiendo muchos productos.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
cms/verbs-webp/85871651.webp
necesitar
Urgentemente necesito unas vacaciones; ¡tengo que ir!
moeten gaan
Ik heb dringend vakantie nodig; ik moet gaan!
cms/verbs-webp/124740761.webp
detener
La mujer detiene un coche.
stoppen
De vrouw stopt een auto.
cms/verbs-webp/129235808.webp
escuchar
Le gusta escuchar el vientre de su esposa embarazada.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.