Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans
regresar
Él no puede regresar solo.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
patear
¡Cuidado, el caballo puede patear!
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
sentar
Muchas personas están sentadas en la sala.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
luchar
Los atletas luchan entre sí.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
traer
El repartidor de pizzas trae la pizza.
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
ordenar
Ella se ordena el desayuno para ella misma.
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
anotar
Ella quiere anotar su idea de negocio.
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
esperar
Todavía tenemos que esperar un mes.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
suceder
¿Le sucedió algo en el accidente laboral?
overkomen
Is hem iets overkomen tijdens het werkongeluk?
mudar
El vecino se está mudando.
verhuizen
De buurman verhuist.
atropellar
Desafortunadamente, muchos animales todavía son atropellados por coches.
overrijden
Helaas worden er nog veel dieren overreden door auto’s.