Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/79046155.webp
repetir
¿Puedes repetir eso por favor?
herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?
cms/verbs-webp/115224969.webp
perdonar
Le perdono sus deudas.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
cms/verbs-webp/104476632.webp
lavar
No me gusta lavar los platos.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
cms/verbs-webp/117284953.webp
escoger
Ella escoge un nuevo par de gafas de sol.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
cms/verbs-webp/115153768.webp
ver
Puedo ver todo claramente a través de mis nuevas gafas.
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
cms/verbs-webp/125402133.webp
tocar
Él la tocó tiernamente.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
cms/verbs-webp/84847414.webp
cuidar
Nuestro hijo cuida muy bien de su nuevo coche.
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
cms/verbs-webp/106851532.webp
mirarse
Se miraron durante mucho tiempo.
elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.
cms/verbs-webp/90539620.webp
pasar
A veces el tiempo pasa lentamente.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
cms/verbs-webp/85871651.webp
necesitar
Urgentemente necesito unas vacaciones; ¡tengo que ir!
moeten gaan
Ik heb dringend vakantie nodig; ik moet gaan!
cms/verbs-webp/119952533.webp
saber
¡Esto sabe realmente bien!
smaken
Dit smaakt echt goed!
cms/verbs-webp/11579442.webp
lanzar a
Se lanzan la pelota el uno al otro.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.