Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans
repetir
¿Puedes repetir eso por favor?
herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?
perdonar
Le perdono sus deudas.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
lavar
No me gusta lavar los platos.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
escoger
Ella escoge un nuevo par de gafas de sol.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
ver
Puedo ver todo claramente a través de mis nuevas gafas.
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
tocar
Él la tocó tiernamente.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
cuidar
Nuestro hijo cuida muy bien de su nuevo coche.
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
mirarse
Se miraron durante mucho tiempo.
elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.
pasar
A veces el tiempo pasa lentamente.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
necesitar
Urgentemente necesito unas vacaciones; ¡tengo que ir!
moeten gaan
Ik heb dringend vakantie nodig; ik moet gaan!
saber
¡Esto sabe realmente bien!
smaken
Dit smaakt echt goed!