Vocabulario

Aprender verbos – neerlandés

cms/verbs-webp/21342345.webp
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
gustar
Al niño le gusta el nuevo juguete.
cms/verbs-webp/115847180.webp
helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.
ayudar
Todos ayudan a montar la tienda.
cms/verbs-webp/123953850.webp
redden
De dokters konden zijn leven redden.
salvar
Los médicos pudieron salvar su vida.
cms/verbs-webp/120282615.webp
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
invertir
¿En qué deberíamos invertir nuestro dinero?
cms/verbs-webp/103910355.webp
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
sentar
Muchas personas están sentadas en la sala.
cms/verbs-webp/74908730.webp
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
causar
Demasiadas personas causan rápidamente un caos.
cms/verbs-webp/122079435.webp
verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.
aumentar
La empresa ha aumentado sus ingresos.
cms/verbs-webp/73751556.webp
bidden
Hij bidt in stilte.
rezar
Él reza en silencio.
cms/verbs-webp/112970425.webp
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
molestarse
Ella se molesta porque él siempre ronca.
cms/verbs-webp/113842119.webp
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.
pasar
La época medieval ha pasado.
cms/verbs-webp/38296612.webp
bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.
existir
Los dinosaurios ya no existen hoy en día.
cms/verbs-webp/63244437.webp
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
cubrir
Ella cubre su cara.