Vocabulario

Aprender verbos – neerlandés

cms/verbs-webp/125376841.webp
bekijken
Op vakantie heb ik veel bezienswaardigheden bekeken.
mirar
En vacaciones, miré muchos lugares de interés.
cms/verbs-webp/122010524.webp
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
emprender
He emprendido muchos viajes.
cms/verbs-webp/129235808.webp
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
escuchar
Le gusta escuchar el vientre de su esposa embarazada.
cms/verbs-webp/18316732.webp
doorrijden
De auto rijdt door een boom.
atravesar
El coche atraviesa un árbol.
cms/verbs-webp/90539620.webp
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
pasar
A veces el tiempo pasa lentamente.
cms/verbs-webp/116166076.webp
betalen
Ze betaalt online met een creditcard.
pagar
Ella paga en línea con una tarjeta de crédito.
cms/verbs-webp/41935716.webp
verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.
perderse
Es fácil perderse en el bosque.
cms/verbs-webp/85623875.webp
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.
estudiar
Hay muchas mujeres estudiando en mi universidad.
cms/verbs-webp/123367774.webp
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
ordenar
Todavía tengo muchos papeles que ordenar.
cms/verbs-webp/34979195.webp
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
juntarse
Es bonito cuando dos personas se juntan.
cms/verbs-webp/61806771.webp
brengen
De koerier brengt een pakketje.
traer
El mensajero trae un paquete.
cms/verbs-webp/59552358.webp
beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
gestionar
¿Quién gestiona el dinero en tu familia?