Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/57574620.webp
entregar
Nuestra hija entrega periódicos durante las vacaciones.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
cms/verbs-webp/10206394.webp
soportar
¡Apenas puede soportar el dolor!
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
cms/verbs-webp/101945694.webp
dormir
Quieren finalmente dormir hasta tarde una noche.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
cms/verbs-webp/82095350.webp
empujar
La enfermera empuja al paciente en una silla de ruedas.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
cms/verbs-webp/44848458.webp
detener
Debes detenerte en la luz roja.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
cms/verbs-webp/104759694.webp
esperar
Muchos esperan un futuro mejor en Europa.
hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.
cms/verbs-webp/122224023.webp
retrasar
Pronto tendremos que retrasar el reloj de nuevo.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
cms/verbs-webp/42111567.webp
equivocar
¡Piensa bien para que no te equivoques!
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
cms/verbs-webp/120900153.webp
salir
Los niños finalmente quieren salir.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
cms/verbs-webp/80427816.webp
corregir
El profesor corrige los ensayos de los estudiantes.
corrigeren
De leraar corrigeert de essays van de studenten.
cms/verbs-webp/115373990.webp
aparecer
Un pez enorme apareció de repente en el agua.
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
cms/verbs-webp/9435922.webp
acercarse
Los caracoles se están acercando entre sí.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.