Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans
entregar
Nuestra hija entrega periódicos durante las vacaciones.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
soportar
¡Apenas puede soportar el dolor!
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
dormir
Quieren finalmente dormir hasta tarde una noche.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
empujar
La enfermera empuja al paciente en una silla de ruedas.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
detener
Debes detenerte en la luz roja.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
esperar
Muchos esperan un futuro mejor en Europa.
hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.
retrasar
Pronto tendremos que retrasar el reloj de nuevo.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
equivocar
¡Piensa bien para que no te equivoques!
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
salir
Los niños finalmente quieren salir.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
corregir
El profesor corrige los ensayos de los estudiantes.
corrigeren
De leraar corrigeert de essays van de studenten.
aparecer
Un pez enorme apareció de repente en el agua.
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.