Woordenlijst
Portugees (PT) – Werkwoorden oefenen
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
springen
Hij sprong in het water.
achterlaten
Ze hebben hun kind per ongeluk op het station achtergelaten.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
publiceren
De uitgever heeft veel boeken gepubliceerd.
werken
Ze werkt beter dan een man.
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.