Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
drukken
Hij drukt op de knop.
mengen
De schilder mengt de kleuren.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
meekomen
Kom nu mee!
smaken
Dit smaakt echt goed!
besparen
Je bespaart geld als je de kamertemperatuur verlaagt.
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
raden
Je moet raden wie ik ben!
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.