Woordenlijst
Marathi – Werkwoorden oefenen
liggen
Ze waren moe en gingen liggen.
bellen
Het meisje belt haar vriendin.
bevestigen
Ze kon het goede nieuws aan haar man bevestigen.
houden van
Ze houdt heel veel van haar kat.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
zich bevinden
Er bevindt zich een parel in de schelp.
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
meenemen
We hebben een kerstboom meegenomen.
mengen
De schilder mengt de kleuren.
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.