Woordenlijst
Frans – Werkwoorden oefenen
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
brengen
De bezorger brengt het eten.
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.
vergelijken
Ze vergelijken hun cijfers.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.
rennen
De atleet rent.