Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
inrichten
Mijn dochter wil haar appartement inrichten.
out-of-the-box denken
Om succesvol te zijn, moet je soms out-of-the-box denken.
weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.
doorkomen
Het water was te hoog; de truck kon er niet doorheen.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
missen
Hij miste de spijker en verwondde zichzelf.
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
opletten
Men moet opletten voor de verkeerstekens.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.