Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
reizen
We reizen graag door Europa.
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
oefenen
De vrouw beoefent yoga.
zich bevinden
Er bevindt zich een parel in de schelp.
vastzitten
Ik zit vast en kan geen uitweg vinden.
veranderen
Veel is veranderd door klimaatverandering.
duwen
Ze duwen de man het water in.
overnachten
We overnachten in de auto.