Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
serveren
De ober serveert het eten.
gebeuren
Hier is een ongeluk gebeurd.
klinken
Haar stem klinkt fantastisch.
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
schilderen
Ik wil mijn appartement schilderen.
beperken
Moet handel worden beperkt?