Woordenlijst
Portugees (PT) – Werkwoorden oefenen
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
knippen
De kapper knipt haar haar.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
sturen
Hij stuurt een brief.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.