Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
corrigeren
De leraar corrigeert de essays van de studenten.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
trainen
De hond wordt door haar getraind.
bidden
Hij bidt in stilte.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
openen
De kluis kan worden geopend met de geheime code.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
stoppen
Ik wil nu stoppen met roken!
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.