Woordenlijst
Spaans – Werkwoorden oefenen
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
instellen
Je moet de klok instellen.
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.
stappen op
Ik kan met deze voet niet op de grond stappen.