Woordenlijst
Grieks – Werkwoorden oefenen
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.
uitspringen
De vis springt uit het water.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
reizen
We reizen graag door Europa.
inrichten
Mijn dochter wil haar appartement inrichten.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.