Woordenlijst
Italiaans – Werkwoorden oefenen
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
missen
Hij miste de spijker en verwondde zichzelf.
moeilijk vinden
Beiden vinden het moeilijk om afscheid te nemen.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.