Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.