Woordenlijst
Turks – Werkwoorden oefenen
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.
wassen
De moeder wast haar kind.
op handen zijn
Een ramp is op handen.
bewust zijn van
Het kind is zich bewust van de ruzie van zijn ouders.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
doen voor
Ze willen iets voor hun gezondheid doen.
oefenen
Hij oefent elke dag met zijn skateboard.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.