Woordenlijst
Spaans – Werkwoorden oefenen
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
beginnen
De soldaten beginnen.
verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.
bedekken
Ze bedekt haar haar.
uitkomen
Wat komt er uit het ei?
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
haten
De twee jongens haten elkaar.
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.