Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
bevallen
Ze zal binnenkort bevallen.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
bereiden
Ze bereidt een taart.
houden van
Ze houdt echt veel van haar paard.
raden
Je moet raden wie ik ben!
wassen
De moeder wast haar kind.