Woordenlijst
Amharisch – Werkwoorden oefenen
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
willen
Hij wil te veel!
elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.
wegrijden
Ze rijdt weg in haar auto.
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
versturen
Ze wil de brief nu versturen.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
terugkeren
De vader is teruggekeerd uit de oorlog.
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.