Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
duwen
Ze duwen de man het water in.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
initiëren
Ze zullen hun scheiding initiëren.
rennen
De atleet rent.
dragen
De ezel draagt een zware last.
hangen
IJsspegels hangen van het dak.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.