Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.
annuleren
Het contract is geannuleerd.
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
versturen
Ze wil de brief nu versturen.
herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.