Woordenlijst
Catalaans – Werkwoorden oefenen
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
voeden
De kinderen voeden het paard.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
achterlaten
Ze hebben hun kind per ongeluk op het station achtergelaten.