Woordenlijst
Pools – Werkwoorden oefenen
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
denken
Je moet veel denken bij schaken.
weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.
aan de beurt komen
Even wachten, je komt zo aan de beurt!
activeren
De rook activeerde het alarm.
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
luisteren
Hij luistert naar haar.