Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
trekken
Hij trekt de slee.
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
activeren
De rook activeerde het alarm.
omarmen
De moeder omarmt de kleine voetjes van de baby.
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.