Woordenlijst
Ests – Werkwoorden oefenen
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
veranderen
Het licht veranderde in groen.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
vergelijken
Ze vergelijken hun cijfers.