Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
drukken
Hij drukt op de knop.
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
vrezen
We vrezen dat de persoon ernstig gewond is.
slapen
De baby slaapt.
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
achterlaten
Ze hebben hun kind per ongeluk op het station achtergelaten.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
worden
Ze zijn een goed team geworden.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
leiden
Hij leidt graag een team.