Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
eisen
Hij eist compensatie.
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
zich wenden tot
Ze wenden zich tot elkaar.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
dansen
Ze dansen verliefd een tango.
oefenen
De vrouw beoefent yoga.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
rennen
De atleet rent.