Woordenlijst
Leer werkwoorden – Ests
helisema
Kas kuuled kella helinat?
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?
saabuma
Paljud inimesed saabuvad puhkusele matkaautoga.
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
imestama
Ta imestas, kui sai uudiseid.
verbazen
Ze was verbaasd toen ze het nieuws ontving.
veenma
Ta peab sageli veenma oma tütart sööma.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
kauplema
Inimesed kauplevad kasutatud mööbliga.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
põhjustama
Alkohol võib põhjustada peavalu.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
rääkima
Ta räägib oma kuulajaskonnaga.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
avama
Laps avab oma kingituse.
openen
Het kind opent zijn cadeau.
ootama
Mu õde ootab last.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
meelde tuletama
Arvuti tuletab mulle kohtumisi meelde.
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
mööda lööma
Ta lõi naela mööda ja vigastas end.
missen
Hij miste de spijker en verwondde zichzelf.