Sõnavara

Õppige tegusõnu – hollandi

cms/verbs-webp/44269155.webp
gooien
Hij gooit zijn computer boos op de grond.
viskama
Ta viskab oma arvuti vihaselt põrandale.
cms/verbs-webp/62788402.webp
onderschrijven
We onderschrijven graag uw idee.
toetama
Me hea meelega toetame teie ideed.
cms/verbs-webp/57207671.webp
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
aktsepteerima
Ma ei saa seda muuta, pean selle aktsepteerima.
cms/verbs-webp/79322446.webp
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
tutvustama
Ta tutvustab oma uut tüdrukut oma vanematele.
cms/verbs-webp/100298227.webp
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
kallistama
Ta kallistab oma vana isa.
cms/verbs-webp/111750432.webp
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
rippuma
Mõlemad ripuvad oksa küljes.
cms/verbs-webp/122153910.webp
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
jagama
Nad jagavad kodutöid omavahel.
cms/verbs-webp/96668495.webp
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
trükkima
Raamatuid ja ajalehti trükitakse.
cms/verbs-webp/103719050.webp
ontwikkelen
Ze ontwikkelen een nieuwe strategie.
arendama
Nad arendavad uut strateegiat.
cms/verbs-webp/87994643.webp
wandelen
De groep wandelde over een brug.
kõndima
Grupp kõndis üle silla.
cms/verbs-webp/104302586.webp
terugkrijgen
Ik kreeg het wisselgeld terug.
tagasi saama
Ma sain vahetusraha tagasi.
cms/verbs-webp/100634207.webp
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
selgitama
Ta selgitab talle, kuidas seade töötab.