Woordenlijst

Leer werkwoorden – Ests

cms/verbs-webp/111750395.webp
tagasi minema
Ta ei saa üksi tagasi minna.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
cms/verbs-webp/106725666.webp
kontrollima
Ta kontrollib, kes seal elab.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
cms/verbs-webp/118232218.webp
kaitsma
Lapsi tuleb kaitsta.
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
cms/verbs-webp/123170033.webp
pankrotti minema
Ettevõte läheb ilmselt varsti pankrotti.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
cms/verbs-webp/94153645.webp
nutma
Laps nutab vannis.
huilen
Het kind huilt in het bad.
cms/verbs-webp/79046155.webp
kordama
Kas saate seda palun korrata?
herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?
cms/verbs-webp/129945570.webp
vastama
Ta vastas küsimusega.
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
cms/verbs-webp/123546660.webp
kontrollima
Mehhaanik kontrollib auto funktsioone.
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
cms/verbs-webp/40094762.webp
äratama
Äratuskell äratab teda kell 10 hommikul.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
cms/verbs-webp/120220195.webp
müüma
Kauplejad müüvad palju kaupa.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
cms/verbs-webp/62175833.webp
avastama
Meremehed on avastanud uue maa.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
cms/verbs-webp/101556029.webp
keelduma
Laps keeldub oma toidust.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.