Woordenlijst

Leer werkwoorden – Noors

cms/verbs-webp/106515783.webp
ødelegge
Tornadoen ødelegger mange hus.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
cms/verbs-webp/111750395.webp
gå tilbake
Han kan ikke gå tilbake alene.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
cms/verbs-webp/121102980.webp
bli med
Kan jeg bli med deg?
meerijden
Mag ik met je meerijden?
cms/verbs-webp/71883595.webp
ignorere
Barnet ignorerer morens ord.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
cms/verbs-webp/12991232.webp
takke
Jeg takker deg veldig for det!
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
cms/verbs-webp/65840237.webp
sende
Varene vil bli sendt til meg i en pakke.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
cms/verbs-webp/122394605.webp
skifte
Bilmekanikeren skifter dekkene.
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
cms/verbs-webp/113248427.webp
vinne
Han prøver å vinne i sjakk.
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
cms/verbs-webp/102853224.webp
bringe sammen
Språkkurset bringer studenter fra hele verden sammen.
samenbrengen
De taalcursus brengt studenten van over de hele wereld samen.
cms/verbs-webp/108218979.webp
måtte
Han må gå av her.
moeten
Hij moet hier uitstappen.
cms/verbs-webp/118826642.webp
forklare
Bestefar forklarer verden for barnebarnet sitt.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
cms/verbs-webp/85677113.webp
bruke
Hun bruker kosmetikkprodukter daglig.
gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.