Ordforråd

Lær verb – nederlandsk

cms/verbs-webp/110045269.webp
voltooien
Hij voltooit elke dag zijn jogroute.
fullføre
Han fullfører joggingruta si hver dag.
cms/verbs-webp/21342345.webp
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
like
Barnet liker den nye leken.
cms/verbs-webp/5161747.webp
verwijderen
De graafmachine verwijdert de grond.
fjerne
Gravemaskinen fjerner jorden.
cms/verbs-webp/34664790.webp
verslagen worden
De zwakkere hond wordt verslagen in het gevecht.
bli beseiret
Den svakere hunden blir beseiret i kampen.
cms/verbs-webp/119269664.webp
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
bestå
Studentene besto eksamen.
cms/verbs-webp/125400489.webp
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
forlate
Turister forlater stranden ved middag.
cms/verbs-webp/113966353.webp
serveren
De ober serveert het eten.
servere
Kelneren serverer maten.
cms/verbs-webp/114231240.webp
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
lyve
Han lyver ofte når han vil selge noe.
cms/verbs-webp/61826744.webp
creëren
Wie heeft de aarde gecreëerd?
skape
Hvem skapte Jorden?
cms/verbs-webp/129244598.webp
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
begrense
Under en diett må du begrense matinntaket ditt.
cms/verbs-webp/106725666.webp
controleren
Hij controleert wie daar woont.
sjekke
Han sjekker hvem som bor der.
cms/verbs-webp/107407348.webp
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
reise rundt
Jeg har reist mye rundt i verden.