Woordenlijst

Leer werkwoorden – Noors

cms/verbs-webp/117421852.webp
bli venner
De to har blitt venner.
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
cms/verbs-webp/103910355.webp
sitte
Mange mennesker sitter i rommet.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
cms/verbs-webp/55128549.webp
kaste
Han kaster ballen i kurven.
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
cms/verbs-webp/119747108.webp
spise
Hva vil vi spise i dag?
eten
Wat willen we vandaag eten?
cms/verbs-webp/63457415.webp
forenkle
Du må forenkle kompliserte ting for barn.
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
cms/verbs-webp/92456427.webp
kjøpe
De vil kjøpe et hus.
kopen
Ze willen een huis kopen.
cms/verbs-webp/121180353.webp
miste
Vent, du har mistet lommeboken din!
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
cms/verbs-webp/80325151.webp
fullføre
De har fullført den vanskelige oppgaven.
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.
cms/verbs-webp/89025699.webp
bære
Eslet bærer en tung last.
dragen
De ezel draagt een zware last.
cms/verbs-webp/91997551.webp
forstå
Man kan ikke forstå alt om datamaskiner.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
cms/verbs-webp/110322800.webp
snakke dårlig
Klassekameratene snakker dårlig om henne.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
cms/verbs-webp/122707548.webp
stå
Fjellklatreren står på toppen.
staan
De bergbeklimmer staat op de top.