Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
openen
De kluis kan worden geopend met de geheime code.
zitten
Ze zit bij de zee tijdens zonsondergang.
houden
Je mag het geld houden.
importeren
We importeren fruit uit veel landen.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
misgaan
Alles gaat vandaag mis!
verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.