Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
wassen
De moeder wast haar kind.
sturen
Ik heb je een bericht gestuurd.
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
stoppen
De agente stopt de auto.
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
plaatsvinden
De begrafenis vond eergisteren plaats.
durven
Ik durf niet in het water te springen.
versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.