Woordenlijst
Russisch – Werkwoorden oefenen
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
moeten
Hij moet hier uitstappen.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
spelen
Het kind speelt liever alleen.
importeren
We importeren fruit uit veel landen.