Woordenlijst
Hebreeuws – Werkwoorden oefenen
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
leiden
Hij leidt het meisje bij de hand.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
leren kennen
Vreemde honden willen elkaar leren kennen.
durven
Ze durfden uit het vliegtuig te springen.