Woordenlijst
Zweeds – Werkwoorden oefenen
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.
weggooien
Deze oude rubberen banden moeten apart worden weggegooid.
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
vragen
Mijn kleinkind vraagt veel van mij.
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.